Het verzoek om 3 agenten strafrechtelijk te vervolgen en 2 agenten uitgebreider, voor meer strafbare feiten, te vervolgen voor de dood van arrestant Henriquez is afgewezen. Dat heeft het gerechtshof Den Haag vandaag bepaald in een zogenoemde artikel 12 Sv procedure.

Het Openbaar Ministerie heeft op basis van onderzoek van de Rijksrecherche strafvervolging ingesteld tegen 2 bij de arrestatie van Henriquez betrokken agenten. De advocaten van de familie van de arrestant hadden aan het Haagse hof verzocht om bevel te geven om 3 andere agenten ook te vervolgen voor de dood van Henriquez en de beschuldigingen tegen alle 5 de politiemensen uit te breiden met de beschuldiging van het in hulpeloze toestand laten van de man.

Het hof heeft deze verzoeken afgewezen. Van een bewuste en nauwe samenwerking van de 3 niet-vervolgde agenten bij de handelingen waarvan de 2 wel vervolgde agenten worden verdacht (o.a. het toepassen van de nekklem bij de arrestant) is onvoldoende gebleken. Eerder lijkt het een ongecoördineerd en weinig doordacht optreden van deze 3 agenten. Ook is niet gebleken dat de 5 agenten opzettelijk onvoldoende ondernomen hebben om de arrestant, die na de aanhouding bewusteloos bleek, te helpen.

Volgens het gerechtshof is mogelijk sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en kan mogelijk de Staat aansprakelijk worden gesteld voor de gevolgen daarvan. Er is echter onvoldoende basis voor het strafrechtelijk verwijt dat deze 3 politiefunctionarissen opzettelijk misdrijven tegen het leven van de arrestant hebben gepleegd of dat zij willens en wetens hem de nodige medische hulp hebben onthouden. De strafrechtelijke verwijten waarvoor de 2 andere politiemensen wel worden vervolgd, zullen door de rechtbank moeten worden beoordeeld. De inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de 2 vervolgde politiemensen gaat hiermee door op basis van de door het OM genomen vervolgingsbeslissingen.